Alimentatie en pensioen

Partneralimentatie

Als een van de partners zich na einde van het huwelijk niet kan onderhouden moet bekeken worden of de ander partneralimentatie kan betalen. Na de relatiebreuk is de ex-partner namelijk onderhoudsplichtig, net als tijdens het huwelijk. We kijken of de meer-verdienende (ex-)echtgenoot genoeg inkomen heeft om alimentatie te betalen. Andersom kijken we of degene die alimentatie vraagt werkelijk niet voor zichzelf kan zorgen. Soms is dit slechts tijdelijk zo en wordt alleen voor een korte tijd alimentatie toegekend.

Behoefte

Welke financiële gezamenlijke ruimte was er tijdens het huwelijk? Deze ruimte bepaalt de alimentatiebehoefte, en is de basis voor de berekeningen.

Draagkracht

Verder beoordelen we uw financiële situatie. We kijken naar het bruto jaarinkomen per persoon waarbij ook de jaarlijkse betalingen, van bijvoorbeeld vakantiegeld, meetellen. Vanuit het bruto jaarinkomen berekenen we het besteedbare netto maandinkomen. We noemen zo’n berekening een "draagkrachtberekening".

Als het besteedbare maandinkomen boven het bijstandsniveau komt, kan waarschijnlijk alimentatie betaald worden. Bepaalde uitgaven zijn aftrekbaar. Die uitgaven - zoals bijvoorbeeld extra ziektekosten, extra woonlasten, aflossing voor bepaalde schulden - worden afgetrokken van het besteedbare inkomen. Als het goed is blijft er na aftrek van goedgekeurde uitgaven nog iets van het maandinkomen over. Dit bedrag heet "draagkrachtruimte". Vanuit die draagkrachtruimte wordt vastgesteld welk bedrag aan alimentatie betaald kan worden.

Alimentatieperiode

Momenteel geldt de onderhoudsplicht voor de partner na een huwelijk van minimaal 12 jaar voor een periode van 12 jaar. Deze periode geldt ook als er kinderen zijn. Bij een kort huwelijk (tot 5 jaar) zonder kinderen is de onderhoudsplicht net zo lang als het huwelijk heeft geduurd. Bij uitzondering kan een langere periode gevraagd worden. Momenteel geldt de onderhoudsplicht voor de partner na een huwelijk van minimaal 12 jaar voor een periode van 12 jaar. Deze periode geldt ook als er kinderen zijn. Bij een kort huwelijk (tot 5 jaar) zonder kinderen is de onderhoudsplicht net zo lang als het huwelijk heeft geduurd. Bij uitzondering kan een langere periode gevraagd worden.

Omvang inkomen: nieuwe insteek sinds juli 2017

Lang is onduidelijk geweest hoe fiscale veranderingen uitwerken in alimentatieberekeningen. In 2017 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over de berekening van inkomen bij partneralimentatie. Als een ouder kindgebonden budget (KGB) ontvangt als fiscale toeslag, telt dit inkomen mee bij de inkomensvergelijking van kinderalimentatie maar niet bij de inkomensvergelijking van partneralimentatie. Deze technische insteek kan behoorlijke gevolgen hebben, en in sommige gevallen leiden tot hogere partneralimentatie.

Vóór het oordeel van de Hoge Raad is in berekeningen en/of procedures tot 2017 vaak anders beslist. Eventueel kan een berekening nu worden herzien, hetgeen voordelig kan uitpakken voor de KGB- ontvangende ouder, zeker als deze alleenstaand is. Als u zich afvraagt of de nieuwe insteek gevolgen voor u heeft kunt u contact opnemen met onze familierechtadvocaten.

Wetswijziging in 2018?

Overigens ligt de partneralimentatie politiek onder vuur. Waarschijnlijk wordt het stelsel van de onderhoudsplicht binnen afzienbare tijd gewijzigd, waarbij zowel de duur als de rekenmethode zal worden aangepast. De veranderingen zijn gunstig voor de alimentatiebetaler en ongunstig voor de alimentatie-ontvanger, zodat het strategisch kan zijn om de procedure te timen. Als dit voor u het geval kan zijn, kunnen we met u kijken welke insteek de beste mogelijkheid biedt.

Kinderalimentatie

Beide ouders zijn onderhoudsplichtig voor kinderen tot hun 18e of, als het meerderjarige kind een vervolgopleiding doet, tot het 21e jaar. Van beide ouders wordt gekeken in hoeverre zij de kinderen kunnen onderhouden. Eerst echter bepalen we hoeveel de kinderen kosten aan de hand van de financiële ruimte tijdens het huwelijk. Hierdoor wordt de zgn. alimentatiebehoefte bepaald, die wordt verdeeld over beide ouders.

Het inkomen van beide ouders is relevant bij het vaststellen van ieders bijdrage aan de kosten van de kinderen. Wat is per persoon het besteedbare maandinkomen? Net als bij partneralimentatie is voor kinderalimentatie het bruto jaarinkomen van de ouders maatgevend, en tellen ook de jaarlijkse betalingen als vakantiegeld of 13e maand mee. Verder houden we rekening met de fiscale gevolgen voor het jaarinkomen. Vanuit het bruto jaarinkomen berekenen we het besteedbare (netto) maandinkomen per ouder.

Naast het inkomen zijn ook de uitgaven van belang. Voor een globale schatting is een draagkrachttabel opgesteld. In het alimentatiesysteem wordt ervan uitgegaan dat ieder een basisbedrag nodig heeft om van te kunnen leven. Vervolgens wordt het inkomen verminderd met een vast bedrag vanwege standaard uitgaven. Ook wordt een percentage gereserveerd voor woonlasten. Elke ouder wordt geacht van het restant kinderalimentatie te betalen. Maatwerk blijft voor de complexere situaties mogelijk. Laat u adviseren wat in uw situatie het meest verstandig is.

Als uit de berekening blijkt dat beide ouders zogenaamde draagkrachtruimte hebben, kunnen beiden bijdragen aan kinderalimentatie. De verdeling van de bijdrage kinderalimentatie wordt vervolgens naar rato berekend. Voorbeeld: als 2 kinderen in een gezin allebei bijvoorbeeld € 200 kinderalimentatie per kind "nodig" hebben (dus totaal € 400 voor de kinderen) en als de moeder € 150 kan betalen en de vader € 300, dan wordt de bijdrage van de moeder voor beide kinderen vastgesteld op € 132 per maand en voor de vader op € 268 per maand. Via rekenprogramma's valt eenvoudig tot een verdeelsleutel te komen.

Kindgebonden budget

De afgelopen jaren is nogal wat veranderd op het gebied van kinderalimentatie. Fiscaal is het het kindgebonden budget voor alleenstaande ouders verhoogd met de ‘alleenstaande ouderkop’. Deze verhoging kon behoorlijk oplopen, hetgeen weer van invloed is op de hoogte van de benodigde alimentatie. In 2015 oordeelde de Hoge Raad dat het kindgebonden meetelt bij het inkomen van de ontvangende ouder - anders dan bij partneralimentatie. Dit oordeel lijkt slechts van technische aard maar had behoorlijke gevolgen voor de uiteindelijk te betalen of ontvangen alimentatie. Sinds het oordeel van de Hoge Raad in 2015 is er duidelijkheid over de rekenmethode van de fiscale toeslagen. Echter, vóór het oordeel van de Hoge Raad is in procedures over kinderalimentatie ook anders beslist en hebben veel advocaten bij advisering over berekeningen een ander uitgangspunt gevolgd. Voor dergelijke gevallen kan nu een herziene berekening worden uitgevoerd. Voor de ontvangende ouder, zeker als deze alleenstaand is, leidt dit vaak tot een hogere alimentatie-aanspraak zodat de betalende ouder vaak meer dan voorheen zal moeten betalen. Als u twijfelt over uw situatie kunt u contact met ons opnemen voor een herberekening.

Jaarlijkse indexering alimentatie

Alimentatie wordt jaarlijks aangepast aan de wettelijke indexering. Zowel kinderalimentatie als partneralimentatie, door partijen overeengekomen of vastgesteld door de rechter, wordt elk jaar verhoogd met een soort inflatiecorrectie die door de overheid wordt vastgesteld. Dit is alleen anders als u onderling heeft afgesproken dat geen indexering wordt toegepast.

Per 1 januari 2018 geldt een indexering van 1,5 %. Dat betekent dat kinder- en partneralimentatie met ingang van 1 januari 2018 moet worden verhoogd met 1,5 %. De alimentatieplichtige moet de vaste alimentatie automatisch verhogen. Nakoming kan 5 jaar lang worden gevorderd.

Voor 2017 gold een indexering van 2,1%. In deze link treft u de indexeringspercentages over alle voorgaande jaren aan: Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2016-58505.html.

Pensioen

Sinds 1995 geldt de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. Sindsdien geldt dat u bij scheiding recht heeft op 50% van het pensioen dat uw ex-partner tijdens uw huwelijk heeft opgebouwd. Andersom geldt dit eveneens.

Voor echtscheidingen voor 1995 is de situatie anders. Over de periode tussen 1981 en 1995 geldt de uitspraak Boon-van Loon. Het volledige pensioen dat tot de datum van de echtscheiding was opgebouwd moe(s)t worden verdeeld: niet alleen het deel dat tijdens het huwelijk was opgebouwd, maar ook het deel voor het trouwen, moe(s)t in de verdeling worden betrokken. De afgelopen jaren is nog regelmatig geprocedeerd over zo’n verdeling. Inmiddels is duidelijk dat hier ook lang na de echtscheiding in principe nog aanspraak op kan worden gemaakt. Rechters hebben bepaald dat een aanspraak niet kan verjaren, en alleen bij uitzondering kan vervallen.

Wilt u meer weten, neemt u dan contact met ons op.

error: Neem contact op als u de inhoud van de pagina wilt gebruiken.